Vlaamse schenk- en erfbelasting in de actualiteit (4)
| Nicolas Geelhand de Merxem
In Het Laatste Nieuws van 4 augustus 2025 werd de schrijnende toestand van kinderloze singles in de Vlaamse erfbelasting aangeklaagd onder de titel: “nabestaanden kinderloze singles ook pineut bij nieuwe regeling”.
Wanneer kinderloze singles een (deel van hun) vermogen aan hun neven en nichten of aan derden bij testament willen nalaten, valt deze verkrijging onder het tarief “alle anderen” of “derden”. Dit betekent dat het tarief tussen 25% en 55% schommelt. Het toptarief van 55% is reeds van toepassing zodra de gecumuleerde waarde van alle verkrijgingen in hoofde van derden het bedrag van 75.000 euro overschrijdt. Dit is de zogenaamde “globalisatie”. De enige magere temperingen zijn de “verminderingen” enerzijds en de zogenaamde “vriendenerfenis” anderzijds. Die laatste maatregel biedt de mogelijkheid om een maximum bedrag van 15.000 euro te legateren aan één of meerdere “derden” aan het lage en vlakke tarief van 3%.
De Vlaamse regering was van plan om ingrijpende wijzigingen aan te brengen aan de erfbelasting en dit te rekenen vanaf 1 januari 2026. In het Regeerakkoord 2024-29 van 30 september 2024 staat dat de regering daarbij ook specifieke aandacht heeft voor de situatie waarbij een overledene niemand nalaat of kan begiftigen in rechte lijn. Dienaangaande werden blijkbaar afspraken gemaakt binnen de regering. In De Tijd van 19 oktober 2024 werd één en ander gelekt. Er zou een speciale regeling komen voor wie geen kinderen of partner heeft, maar erg concreet zou die piste nog niet zijn. Er zou een systeem komen “waarbij de erflater één of meer personen met wij hij een affectieve band had iets kan nalaten dat belast wordt op een wijze die dichter aansluit bij het fiscale regime voor wie erft in rechte lijn”. Wel kon men lezen dat het toptarief van 55% pas van toepassing zou zijn vanaf een (gecumuleerde) waarde van 150.000 euro. Sindsdien is het stil. Wel werden er vraagtekens geplaatst bij de voorgenomen hervorming in het algemeen, omdat ondertussen de Vlaamse begroting slechter is uitgevallen dan voorspeld (De Tijd 16 mei 2025). De discussie over de hervorming werd uitgesteld tot september 2025, om in het kader van de begrotingsopmaak gevoerd te worden, maar dat zou de inwerkingtreding van de hervorming op 1 januari 2026 niet in het gedrang brengen.
Volgens Ive Rosseel van het ACV maakt de erfbelasting geheven bij broers en zussen en alle anderen ongeveer de helft van de totale ontvangsten uit erfbelasting uit, hoewel er veel meer nalatenschappen in rechte lijn en tussen partners zijn. Volgens deze fiscalist zou het tarief van 3% in het raam van de “vriendenerfenis” in de toekomst van toepassing zijn op een maximum bedrag van 50.000 euro (i.p.v. 15.000 euro). Deze maatregel en het optrekken van de eerste schijf tot 150.000 euro zouden echter geen (substantiële) zoden aan de dijk brengen. De druk van de familie om te schenken (aan de (veel) lagere tarieven en zonder “globalisatie”) die de kinderloze ooms en tantes thans ervaren, zou dus ook in de toekomst aanhouden. Omdat deze schenkingen onherroepelijk zijn, bestaat de kans dat die ooms en tantes bij hun neven en nichten zullen moeten gaan bedelen om geld indien zij na het doen van de schenking in financiële nood verkeren. Dat is het laatste wat zij willen.
Een eerste bedenking is dat de Vlaamse regering zichzelf in een onaangename positie heeft gemaneuvreerd en zichzelf in de voet heeft geschoten. In juli 2021 besliste zij om het zogenaamde testamentair “duo-legaat” te belasten. Door deze techniek kon de belastingdruk fors verminderd worden zonder te moeten schenken. In plaats van die techniek te belasten had men er beter aan gedaan bepaalde minima voor de verkrijging door de goede doelen op te leggen. Van “misbruik” van goede doelen zou er dan geen sprake meer zijn en het tarief in hoofde van “derden” zou toch nog substantieel verlaagd kunnen worden. In plaats van het zoeken naar een juist evenwicht tussen de verschillende belangen, heeft men een disproportionele maatregel genomen. De hoop dat men deze belastende maatregel zou terugdraaien, zelfs indien bewezen zou worden dat de goede doelen sindsdien minder inkomsten uit nalatenschappen genieten, is, helaas, niet realistisch.
Een tweede bedenking is dat een schenking (dus bij leven) door een oom en een tante zonder kinderen weliswaar ingrijpend is, maar ook wel kan gemodaliseerd worden. Er kan een voorbehoud van vruchtgebruik bedongen worden, er kan een (hoge) optionele lijfrente opgelegd worden, er kan een clausule bedongen worden waardoor medische kosten (in de ruime zin van het woord) ten laste van de begiftigden komen wanneer de inkomsten en het kapitaal van de schenker niet toereikend zouden zijn, enz. Er kan zelfs bedongen worden dat de schenking retroactief ontbonden wordt wanneer de schenker na x jaar te rekenen vanaf de schenking nog in leven is (“boomerang-schenking”). Daardoor wordt de schenking herroepelijk en kan er na x jaar opnieuw een gelijkaardige schenking worden gedaan die niet of nauwelijks (opnieuw) belast wordt (“non bis in idem”-principe). Het gezegde “gegeven is gegeven” moet dus enigszins gerelativeerd worden. Het is ook mogelijk de schenking uit te stellen tot kort vóór het overlijden en dus in extremis te schenken. Bij niet plots overlijden kan dit door de schenker zelf of, als hij niet meer wilsbekwaam is, door een volmachthebber op grond van een zorgvolmacht. Enkel bij plots overlijden zal de hogere erfbelasting verschuldigd zijn.
Men kan dit “kunstgrepen” noemen, maar in werkelijkheid zijn deze maatregelen erg eenvoudig en zouden ze door alle notarissen (moeten) kunnen geadviseerd worden aan hun cliënten, ook aan “Jan modaal”.
Kortom, er zijn heel wat technieken om een schenking aantrekkelijk te maken voor suikerooms en suikertantes. Uit de praktijk blijkt dat het dikwijls vooral een psychologisch probleem is: de angst om niet rond te komen na de schenking. Die angst kan moeilijk weggenomen worden, ook al bestaan er technieken die die angst objectief gezien onnodig maken Maar het probleem stelt zich vaak wanneer de ooms en tantes op leeftijd zijn en minder vatbaar zijn voor technieken die voor hen ingewikkeld lijken.
Er zijn ook andere “angsten” zoals het liever niet bij leven willen melden aan wie men schenkt en aan wie niet, de wens om op de aanduiding van de begunstigden terug te kunnen komen, de vrees voor ruzie met of de controle door de begiftigden bij leven, enz. Er is ook nog het probleem van de vraag of de schenking per hoofd of per staak moet gebeuren…
Nochtans dienen deze technieken door de adviseur steeds voorgelegd te worden omdat zij een juist evenwicht kunnen verwezenlijken tussen het belang van de schenker om zijn levensstandaard maximaal te behouden, wat er ook moge gebeuren, en het belang van de neven en nichten om niet aan het toptarief van 55% te worden belast en de halvering van het (familie)vermogen niet te moeten ondergaan.
De boosdoener is overigens niet alleen het hoge tarief voor “derden” in de erfbelasting, maar ook en vooral de “globalisatie”. Zonder globalisatie wordt elke neef/nicht enkel op zijn/haar legaat belast en kan elk van hen genieten van de laagste tarieven, met name 25%. Dit zou reeds een heel verschil maken. Men begrijpt overigens niet waarom er geen globalisatie is wanneer de ouder van de neven en nichten (broer of zus van de oom of tante) nog in leven is, en er wel globalisatie is wanneer die ouder vooroverleden is. Of anders gezegd, waarom is er geen substitutie in de erfbelasting (in de zijlijn) zoals in het burgerlijk recht? Een discrepantie tussen het burgerlijk recht en het fiscaal recht is nooit een goede zaak. Het afschaffen van de globalisatie zou de fiscale druk aanzienlijk verlagen, zelfs indien het tarief voor “derden” niet zou worden gewijzigd.
Maar gelet op de kans dat de Vlaamse begroting geen aanzienlijke verlaging van de tarieven in de erfbelasting (of afschaffing van de globalisatie) zal toelaten, zullen adviseurs in de toekomst nog meer werk moeten maken van gemodaliseerde schenkingen.
Het is ook mogelijk het probleem in een vroeger stadium aan te pakken. Wanneer ouders vermogen aan hun kinderen schenken of legateren, kunnen zij bepalen dat, indien een kind kinderloos zou komen te overlijden, aan de gift een fideicommis de residuo wordt gekoppeld in het voordeel van (de kinderen van) de andere kinderen. Zodoende wordt het tarief in de zijlijn vermeden en hoeft de suikertante en suikeroom zelf geen successieplanning meer door te voeren om te ontsnappen aan de hoogste tarieven. De druk valt dan weg. Er moet wel een boekhouding bijgehouden worden (“traceerbaarheid”). Dat is dan de prijs die moet betaald worden.
Voor “Jan modaal” lijkt dit op het eerste gezicht “overkill”, maar dat is niet altijd zo. Stel een grootouder heeft drie kinderen, van wie één kinderloos is en zal blijven. Het kinderloze kind bekomt een onroerend goed bij schenking of uit de erfenis om zich erin te huisvesten. Bij overlijden van het kinderloze kind gaat het onroerend goed aan het tarief in rechte lijn naar zijn broers en zussen en/of naar hun kinderen.
Nicolas Geelhand de Merxem
Prof. (em.) dr. Universiteit Antwerpen