Vlaamse schenk- en erfbelasting in de actualiteit (2)
| Nicolas Geelhand de Merxem
De Vlaamse regering heeft vrij snel na haar totstandkoming de invoering van lagere erfbelasting voor kleine en middelgrote vermogens vooropgesteld. In tegenstelling tot de verlenging van de “verdachte periode” voor niet-geregistreerde schenkingen (vooral hand- en bankgiften), zou deze nieuwe regeling niet ingaan op 1 januari 2025, maar op 1 januari 2026. Bovendien zou er nog geen akkoord zijn binnen de regering over de details van deze principiële verlaging.
Mede gelet op de verslechterde budgettaire toestand in Vlaanderen sinds de vorming van de Vlaamse regering, rees bovendien recent de vraag of het wel een goed idee is de erfbelasting te verlagen. Vooral de partij Vooruit meende dat de regeling sterker zou moeten worden toegespitst op de laagste erfenissen.
Aanvankelijk was het de bedoeling van de Vlaamse minister van Financiën, Ben Weyts, om de regeling klaar te hebben rond de Vlaamse feestdag op 11 juli 2025 zodat ze op 1 januari 2026 in werking zou kunnen treden. Omdat de vooropgezette regeling echter een grote uitgavepost in de Vlaamse begroting zou uitmaken, wil de minister de beslissing pas nemen in het kader van de begrotingsopmaak in september. Maar volgens de minister hoeft het uitstel van deze beslissing niet te betekenen dat de vooropgestelde timing voor de invoering niet zal worden gehaald, zoals door sommigen wordt gevreesd (o.a. omdat de notarissen niet tijdig zouden kunnen ingelicht worden).
Over het toespitsen op de laagste erfenissen is onlangs een opinie in De Tijd verschenen. De reeds bekendgemaakte cijfers van de voorgenomen regeling (die overigens nog niet afgeklopt zijn binnen de regering), hebben tot gevolg dat de verkrijgers van kleine en middelgrote erfenissen (in rechte lijn) nauwelijks of geen erfbelasting zullen moeten betalen. Daarentegen is het voordeel van de nieuwe regeling zeer beperkt voor de grotere erfenissen. Het voordeel is beperkt doordat er een klein voordeel is in de laagste schijf tot 250.000 euro. Boven 250.000 euro per erfgenaam (en per massa roerende en onroerende goederen) geldt nog steeds het toptarief van 27%. Zeggen dat, na de invoering van de nieuwe tariefregeling in de erfbelasting, de sterkste schouders de zwaarste lasten niet zouden dragen, is derhalve onjuist.
Zoals gezegd moeten de cijfers nog afgeklopt worden. Dat betekent dat er nog wat zal gediscussieerd worden in de schoot van de regering. Maar het is belangrijk dat de voorgenomen verlaging van de erfbelasting er zou komen. Immers, die verlaging van de erfbelasting is de tegenhanger van de “verhoging van de schenkbelasting” doordat de risicotermijn van 3 jaar verlengd werd tot 5 jaar. Deze verlenging houdt een belastingverhoging in die door de verlaging van de erfbelasting zou gecompenseerd worden. Overigens gold die belastingverhoging niet alleen voor de kleine en middelgrote vermogens, maar ook voor de grote vermogens.
Dat de actoren op het veld, o.a. de notarissen, tijdig moeten ingelicht worden, is vanzelfsprekend. De regeling moet definitief zijn vóór 1 januari 2026 en ook vóór die datum in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd worden. Het ziet er naar uit dat de nieuwe regeling van toepassing zal zijn op alle nalatenschappen die zullen openvallen te rekenen vanaf 1 januari 2026. Op die nalatenschappen zullen de notarissen de nieuwe tarieven moeten toepassen. Dat lijkt mij niet onoverkomelijk, te meer omdat een aangifte van nalatenschap pas binnen de 4 maanden moet ingediend worden en omdat de rechten pas binnen de 2 maanden na het ontvangen van het aanslagbiljet moeten betaald worden. Maar er is meer. Deze nieuwe tarieven moeten ook meegenomen worden bij de toekomstige fiscale successieplanningen. Vlaamse rijksinwoners zullen hun planning kunnen aanpassen of een planning kunnen uitwerken, rekening houdend met de nieuwe tarieven, voor het geval zij na 31 december 2025 zouden komen te overlijden. Dat neemt iets meer tijd in beslag, zeker wanneer er sprake is van een in extremis situatie. Ook bij een post-mortem-successieplanning bij overlijdens te rekenen vanaf 1 januari 2026 zullen de nieuwe tarieven op een gunstige wijze kunnen worden toegepast, b.v. bij de uitvoering van een keuzebeding bij de vereffening-verdeling van het huwelijksvermogensstelsel. Kortom, er zal, te rekenen vanaf de bekendmaking van de definitieve regeling, heel wat (cijfer)werk aan de winkel zijn.
Nicolas Geelhand de Merxem
Prof. (em.) dr. Universiteit Antwerpen