Eggermont Van Eyndhoven Crommen Geelhand Barbaix

Latere verkoop van de gezinswoning belet het behoud van de vrijstelling niet

| Nicolas Geelhand de Merxem

Op 19 november 2025 werd een voorafgaande beslissing nr. 25077 van 11 augustus 2025 gepubliceerd met als titel “vrijstelling EB gezinswoning gevolgd door verkoop gezinswoning”.

De vraag die gesteld werd is of de vrijstelling op het aandeel van de langstlevende echtgenoot in de gezinswoning (art. 2.7.4.1.1 VCF) gevolgd door een verkoop van de gezinswoning binnen de 2 jaar na het overlijden van de erflater, verloren gaat wegens fiscaal misbruik in de zin van art. 3.17.0.0.2 VCF.

Een man overlijdt in 2024. Hij laat na een langstlevende feitelijk samenwonende partner (met wie de erflater meer dan drie jaar samenwoonde) en drie kinderen . Zijn nalatenschap bevat een gezinswoning die voor de helft in volle eigendom aan de langstlevende toekomt en voor de andere helft in volle eigendom aan de drie kinderen. Er ontstaat onenigheid tussen de erfgenamen over de bestemming van het onroerend goed en zij beslissen tot verkoop van de woning.

In de motivering stelt de langstlevende dat zij de nalatenschap te goeder trouw heeft aanvaard zonder de intentie enig fiscaal voordeel te verkrijgen in strijd met de toepasselijke regelgeving. De intentie tot verkoop van het onroerend goed is louter het gevolg van het uitblijven van een minnelijke schikking met de mede-erfgenamen, wat een structurele belemmering vormt voor de duurzame woonregeling. Er is geen sprake van fiscale optimalisatie.

Vlabel start zoals gebruikelijk met een totaal verkeerde definitie van het begrip “fiscaal misbruik”: er is geen fiscaal misbruik “indien er ook niet-fiscale motieven aan ten grondslag liggen. Herkwalificatie is mogelijk indien de belastingplichtige niet kan aantonen dat de geviseerde verrichting(en) ook niet-fiscale doelstellingen hebben, en dat deze niet-fiscale doelstellingen voldoende opwegen tegen de fiscale motieven”. Dat is helemaal niet wat in art. 3.17.0.0.2 VCF (door Vlabel letterlijk geciteerd!) staat. Vlabel moet eerst het fiscaal misbruik aantonen, met name dat de belastingplichtige aanspraak maakt op een belastingvoordeel, voorzien door een bepaling van de VCF, en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft. Pas wanneer dit bewijs geleverd is, mag Vlabel van de belastingplichtige eisen dat hij niet-fiscale motieven voorlegt.

Zeer terecht stelt Vlabel dat, of de vrijstelling van toepassing is, beoordeeld wordt op het ogenblik van het overlijden van de erflater. En zij vervolgt: “De niet-vervreemding of het behoud van deze gezinswoning ná het overlijden van de erflater behoort niet tot deze voorwaarden”. En zij besluit: “de langstlevende partner die deze gezinswoning vervreemdt na het overlijden van de erflater, plaatst zich door de voorgenomen verrichting bijgevolg niet kunstmatig binnen het toepassingsgebied van artikel 2.7.4.1.1 §2 VCF”. De beslissing is dat de voorgenomen vervreemding bijgevolg geen schending van artikel .7.4.1.1, §2 , derde lid, VCF vormt, noch rechtstreeks noch via de toepassing van artikel 3.17.0.0.2 VCF.

Dat geen enkele toepassingsvoorwaarde van art. 2.7.4.1.1 §2 VCF geschonden is, is nogal duidelijk. De vrijstelling wordt immers toegekend, op zicht van de toestand op datum van overlijden, ongeacht wat er na het overlijden met de gezinswoning gebeurt.

Wat dan met het fiscaal misbruik? Volgens Vlabel is er geen fiscaal misbruik: “de langstlevende partner die deze gezinswoning vervreemdt na het overlijden van de erflater, plaatst zich door de voorgenomen verrichting bijgevolg niet kunstmatig binnen het toepassingsgebied van artikel 2.7.4.1.1 §2 VCF”. Uiteraard niet, niet “zonder meer” en ook niet “kunstmatig”.

Het moge duidelijk zijn. Vrijstellingen en verminderingen worden beoordeeld op de dag van het overlijden. Wat de belastingplichtigen (erfgenamen, legatarissen en contractueel erfgestelden) na het overlijden doen, is meestal niet relevant voor het bekomen of behouden van deze gunsten. Wat door de decreetgever wordt beoogd is het beletten dat de belastingplichtige zich door een verrichting van vóór het overlijden zich onder de toepassing van een vrijstelling of vermindering “wringt”, in strijd met de doelstellingen van deze vrijstelling of vermindering. Om die reden trouwens (oneigenlijk gebruik van de korte samenlevingstermijn) werd voor feitelijk samenwonenden een samenlevingstermijn van drie jaar opgelegd om het voordeel van de vrijstelling voor de gezinswoning te kunnen doen gelden (Parl.St. Vl.Parl.2005-2006, nr. 865/1, 5; zie ook het Verslag namens de Commissie voor Algemeen Beleid, Financiën en Begroting uitgebracht door de heer L. Sannen, Parl.St. Vl.Parl.2005-2006, nr. 865/3, 5).

Het ware enkel anders wanneer de VCF (zie bv. art. 2.7.6.0.5 VCF) of de parlementaire voorbereiding stelt dat de omstandigheden na het overlijden relevant zouden zijn voor het toekennen van de vrijstelling of vermindering. Wat de vrijstelling van de gezinswoning betreft, is dat alleszins niet het geval. De memorie van toelichting rept met geen woord over dergelijke omstandigheden post mortem. “Wanneer één van beide partners overlijdt, wordt het vaak als onrechtvaardig en hardvochtig aangevoeld dat de langstlevende partner successierechten verschuldigd is op de woning waarvoor hij meestal zelf ook lang heeft gespaard en gewerkt. En dat terwijl in de feiten meestal niets wijzigt. De langstlevende partner zal vaak de gezinswoning verder blijven bewonen” (Parl.St. Vl.Parl.2005-2006, nr. 865/1, 3; zie ook ibid., 4; zie ook het Verslag namens de Commissie voor Algemeen Beleid, Financiën en Begroting uitgebracht door de heer L. Sannen, Parl.St. Vl.Parl.2005-2006, nr. 865/3, 4 e.v. en i.h.b. de tussenkomst van de minister, ibid., 7: “ indien iemand na het overlijden van zijn partner alleen blijft in een te groot huis, kan hij of zij er nog altijd voor kiezen om die woning te verkopen en om een kleinere woning te kopen. In een dergelijk geval heeft de betrokkene wel degelijk de vrijstelling genoten”). Kortom, het blijven bewonen van de gezinswoning door de langstlevende is geen toepassingsvoorwaarde voor het bekomen van de vrijstelling. Strijdigheid met die doelstelling is dan ook per hypothese onmogelijk.

Nicolas Geelhand de Merxem
Prof. (em.) dr. Universiteit Antwerpen