Het Hof van Cassatie (Franstalige kamer) valideert de “Casman-clausule”
| Nicolas Geelhand de Merxem
Een “Casman-clausule” is een beding in de huwelijksovereenkomst op grond waarvan het ganse gemeenschappelijk vermogen bij het overlijden van een echtgenoot toebedeeld wordt (of “kan worden” als het optioneel geformuleerd wordt) aan de langstlevende echtgenoot onder last om bij haar/zijn overlijden een bedrag gelijk aan de helft van de netto-waarde van het gemeenschappelijk vermogen schuldig te erkennen aan de nalatenschap van de eerst overleden echtgenoot (al dan niet met intrest). In de nalatenschap van de eerst overleden echtgenoot komt dan een vordering tegen de langstlevende echtgenoot, die evenwel pas opeisbaar is bij het overlijden van de langstlevende echtgenoot.
De bedoeling van deze clausule is het comfort (lees de beschikkingsbevoegdheid over de gemeenschapsgoederen) van de langstlevende echtgenoot te maximaliseren (zoals bij een “gewoon” verblijvingsbeding in volle eigendom zonder last), maar aan een fiscale kostprijs die niet veel hoger ligt dan die van een verdeling bij helften van het gemeenschappelijk vermogen, gekoppeld aan een wettelijke erfrechtelijke devolutie. Het nut van deze techniek was ook zeer groot bij “hersamengestelde” gezinnen. Wanneer de eerst overleden echtgenoot kinderen uit een vorige relatie had, kon daarmee een evenwicht gevonden worden tussen enerzijds het comfort van de langstlevende echtgenoot en anderzijds de belangen van die kinderen uit de vorige relatie (die per hypothese geen erfgenamen waren van de langstlevende echtgenoot), al was het al dan niet verstrekken van een zekerheid door de langstlevende echtgenoot daarbij een heikel punt.
Hoe dan ook, de techniek verloor snel een deel van zijn aantrekkingskracht, toen het aandeel van de langstlevende echtgenoot in de gezinswoning vrijgesteld werd van successierechten. Bij een “Casman-clausule” zit er in de nalatenschap zoals gezegd enkel een vordering, waardoor die vrijstelling verloren gaat. De gewone toebedeling van het ganse gemeenschappelijk vermogen in volle eigendom (zonder last) werd opnieuw interessant, zeker voor echtgenoten met een vermogen dat vooral uit een gezinswoning bestand. Er is meer. In december 2017 werd de “Casman-clausule” door de Vlaamse decreetgever even belastbaar gemaakt als een verblijvingsbeding in volle eigendom (zonder last). Sindsdien werd de techniek nog amper gebruikt, tenzij als onderdeel van een veel ruimer “keuzebeding”.
In het Waalse en het Brussels Gewest werd de “Casman-clausule” minder gebruikt, maar een decretale “belastbaarstelling”, zoals in Vlaanderen, kwam er niet. Eén van de Waalse notarissen had deze techniek dan ook toegepast. De federale fiscale administratie oordeelde, bij het overlijden van de eerst overleden echtgenoot, dat deze clausule een fiscaal misbruik uitmaakte, omdat de schuld van de langstlevende echtgenoot als kunstmatig zou zijn. Er diende derhalve een procedure te worden opgestart om te horen zeggen dat dit niet het geval was. De Rechtbank van eerste aanleg Henegouwen, afdeling Bergen en vervolgens het Hof van beroep te Bergen, oordeelden dat art. 5 Waals W.Succ. niet van toepassing was en dat er van fiscaal misbruik geen sprake was. De federale fiscale administratie volhardde evenwel in de boosheid en stelde een voorziening in Cassatie in. In een arrest van 12 december 2025 (nog niet gepubliceerd) heeft de Franstalige kamer van het Hof van Cassatie deze voorziening verworpen. De “Casman-clausule” maakt dus geen fiscaal misbruik uit. Mocht dit wel het geval zijn, dan had het Hof wel een weg gevonden om het arrest a quo te verbreken.
Dit cassatiearrest is interessant. Mij is geen vonnis of arrest in Vlaanderen bekend dat zich daarover heeft uitgesproken. Er zijn wel twee arresten van een Hof van beroep die zich hebben uitgesproken over de rechtspositie bij het overlijden van de langstlevende echtgenoot (overlijdens voor december 2017). Maar er is meer. Dit arrest is een “blamage” voor de Vlaamse decreetgever. Zoals gezegd heeft die wetgever de clausule volledig belastbaar gemaakt. Dit gebeurde zonder ernstige reden. Men wilde het “achterpoortje” van het finaal verrekenbeding sluiten, en in het zog daarvan ook een “vergelijkbare constructie met een vordering” belastbaar maken. Men zag evenwel over het hoofd dat een finaal verrekenbeding wel een grote besparing in de erfbelasting oplevert, maar de “Casman-clausule” helemaal niet. Immers, bij een “Casman-clausule” wordt er in het totaal (de twee overlijdens samen gerekend) meer erfbelasting betaald dan bij de toepassing van de wet (verdeling van het gemeenschappelijk vermogen bij helften en wettelijke erfrechtelijke devolutie). Niet alleen gaan zoals gezegd alle vrijstellingen (gezinswoning en andere) en gunsttarieven (bv. aandelen familiale vennootschappen) verloren, maar men verliest ook het fiscaal voordeel van de splitsing tussen roerende en onroerende goederen. Inde nalatenschap van de eerst overleden echtgenoot zit immers enkel een schuldvordering tegen de langstlevende echtgenoot en dat is een roerend goed. Een techniek als “fiscaal misbruik” bestempelen wanneer die techniek fiscaal geen voordeel oplevert, is strijdig met art. 3.17.0.0.2 VCF. Hoewel dat in de onderhavige hypothese (zgn. ontwijken van een fictiebepaling) niet expliciet in deze bepaling is vermeld, is iedereen het erover eens dat één van de toepassingsvoorwaarden er in bestaat dat de techniek belastingbesparend moet zijn.
Het Comité voor Studie en Wetgeving van het Belgisch notariaat had overigens met een zeer grote meerderheid van haar leden (met inbegrip van de vertegenwoordiger van Vlabel) beslist dat de “Casman-clausule” geen fiscaal misbruik uitmaakt.
Het zou de Vlaamse decreetgever thans sieren deze techniek in ere te herstellen. Iedereen kan zich vergissen. Wellicht is dat een ijdele hoop. Echte “achterpoortjes” sluiten is “populair”, technieken die geen “achterpoortje” uitmaken, opnieuw toelaten, is dat minder.
“La morale de l’histoire”: zeg niet te snel dat een bepaalde (huwelijksvermogensrechtelijke) techniek een fiscaal misbruik uitmaakt. Laat het eerst aftoetsen door de (onafhankelijke) rechter. Het is geen kwestie van “buikgevoel” uitgaande van een (per hypothese niet onpartijdige fiscale administratie), maar van het al dan niet vervuld zijn van een aantal toepassingsvoorwaarden. Een correcte toepassing van art. 3.17.0.0.2 VCF is vereist, op straffe van schending van het legaliteitsbeginsel, dixit het Grondwettelijk Hof.
Nicolas Geelhand de Merxem
Prof. (em.) dr. Universiteit Antwerpen