Eggermont Van Eyndhoven Crommen Geelhand Barbaix

De vierde en vijfde piste toegepast op eigen goederen in een gemeenschapsstelsel (VB 26040)

1. De beslissing
Twee echtgenoten van 69 en 68 jaar, X en Y, met één gemeenschappelijke dochter, zijn in 1969 gehuwd onder het wettelijk stelsel. Bij wijziging van dit stelsel in 2020 werd enerzijds bepaald dat de inkomsten uit eigen goederen voortaan eigen zouden blijven en anderzijds dat ingeval van ontbinding van het stelsel door overlijden de langstlevende toepassing zou kunnen maken van een keuzebeding.

Thans wensen de echtgenoten een optioneel verblijvingsbeding van onverdeelde goederen en een optioneel toekenningsbeding van niet-onverdeelde goederen toe te voegen aan hun stelsel, zij het met betrekking tot hun respectieve eigen goederen.

Zij vragen aan Vlabel te bevestigen dat de artikelen 2.7.1.0.2, lid 1 VCF, 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF, 2.7.1.0.4 VCF, 2.7.1.0.5 VCF en., 2.8.1.0.1 VCF niet van toepassing zullen zijn, noch op zich noch in samenlezing met art. 3.17.0.0.2 VCF en dat de artikelen 2.9.1.0.1 VCF en 2.10.1.0.1 VCF gebeurlijk van toepassing zullen zijn (in geval van onroerend goed).

Vooraf stelt Vlabel dat de voorgenomen optionele verblijvings- en toekenningsbedingen betrekking zullen hebben “op goederen die niet behoren tot het gemeenschappelijk vermogen dat bestaat tussen echtgenoten X-Y, maar wel tot hun respectievelijke eigen vermogens.

Onder randnummer 6 van de aanvraag zetten de aanvragers uiteen welke goederen niet behoren tot het gemeenschappelijk vermogen, zodat deze volgens aanvragers het voorwerp zullen uitmaken van de nieuwe toe te voegen bedingen. Ten bewijze van het eigen karakter van deze goederen voegt aanvrager verschillende stukken toe, welke in extenso besproken worden onder zelfde randnummer 6 van de aanvraag hiervoor”.

Vlabel wijst er echter op dat hij geen uitspraak kan doen over bewijskwesties (art. 3.22.0.0.1, §3 VCF), zodat “bij onderhavige beslissing niet geoordeeld (kan) worden over de uiteenzetting van aanvrager inzake de kwalificatie van het vermogen, eigen of gemeenschappelijk vermogen, waartoe de goederen die het voorwerp uitmaken van de toe te voegen bedingen, in feite behoren.

In onderhavige beslissing wordt daarom uitgegaan van de kwalificatie van eigen vermogen die de aanvrager geeft aan de goederen die het voorwerp zijn van de toe te voegen bedingen, doch zonder uitspraak te doen over het bewijs van deze kwalificatie.

Indien bij overlijden zou blijken dat goederen die het voorwerp uitmaken van de toe te voegen bedingen, zich in het gemeenschappelijk vermogen bevinden, zullen hierop de heffingsregels uit het VCF toegepast worden, zoals hierna uiteengezet”.

Vervolgens maakt Vlabel het klassieke voorbehoud voor de kwalificatie “huwelijksvoordeel”, een begrip dat volgens Vlabel niet wettelijk gedefinieerd is, doch slechts omschreven is in het kader van stelsels van gemeenschap van goederen. Vlabel trekt daaruit de gebruikelijke conclusie: “66. In de mate dat het verblijvingsbeding en het toekenningsbeding in casu effectief geldige huwelijksvoordelen met zakenrechtelijke werking zijn, volgt het besluitvormingsorgaan dezelfde redenering voor de fiscale behandeling van deze verrichting”.

Volgens Vlabel zijn de art. 2.7.1.0.2, lid 1, 2.7.1.0.3, lid 1, 3°, 2.7.1.0.4, en 2.7.1.0.5 VCF niet van toepassing.

Wat het fiscaal misbruik betreft, stelt Vlabel dat “81. Gelet op de concrete feitenconstellatie en de in de aanvraag opgenomen motivering, (…) het besluitvormingsorgaan van oordeel (is) dat de voorgelegde verrichting in casu geen fiscaal misbruik uitmaakt van voormelde artikelen, in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF”.

2. Commentaar
Uit de besproken beslissing volgt dat Vlabel geen probleem heeft met betrekking tot de toevoeging (door echtgenoten gehuwd onder een wettelijk stelsel) van een optioneel verblijvingsbeding van onverdeelde (eigen) goederen en een optioneel toekenningsbeding van . niet-onverdeelde (eigen) goederen.

Maar dit geldt slechts op voorwaarde dat bij het overlijden van een echtgenoot het (zwart op wit) bewijs zal kunnen geleverd worden dat het daadwerkelijk om eigen onverdeelde of niet -onverdeelde goederen gaat, en niet om gemeenschappelijke goederen. Wordt dit bewijs niet geleverd, dan geldt het vermoeden dat het om gemeenschappelijke goederen gaat en dan zal wel toepassing gemaakt worden van art. 2.7.1.0.4 VCF.

De art. 2.7.1.0.2, lid 1, 2.7.1.0.3, lid 1, 3°, 2.7.1.0.4, en 2.7.1.0.5 VCF zijn niet van toepassing omdat telkens minstens één toepassingsvoorwaarde niet vervuld is.

Wat het fiscaal misbruik betreft, hanteert Vlabel zoals gewoonlijk de onjuiste definitie: “het contract maakt geen fiscaal misbruik uit indien er ook niet-fiscale motieven aan ten grondslag liggen”. Vervolgens verwijst Vlabel, zoals steeds, naar “de concrete feitenconstellatie en de in de aanvraag opgenomen motivering”. Dat is echter niet aan de orde. Vlabel moet immers eerst aantonen dat de echtgenoten zich aan de toepassing van een bepaling van de VCF onttrekken, in strijd met de doelstellingen van deze bepaling. Maar Vlabel onderzoekt dat niet, ten onrechte. Dit onderzoek zou tot het besluit leiden dat geen enkele van de kwestieuze bepalingen (art. 2.7.1.0.2, lid 1, 2.7.1.0.3, lid 1, 3°, 2.7.1.0.4., en 2.7.1.0.5 VCF) gefrustreerd wordt. Geen enkele van deze bepalingen viseert immers de kwestieuze huwelijksvoordelen. Derhalve mag Vlabel niet eens de vraag stellen of er niet-fiscale motieven zijn.

Nicolas Geelhand de Merxem
Prof. (em.) dr. Universiteit Antwerpen