De dading en de erfbelasting: een miskende combinatie
| Nicolas Geelhand de Merxem
In een recent vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, wordt in een procedure over erfbelasting gesteld dat een dading die door de rechthebbenden van de erflater na het openvallen van de nalatenschap is gesloten, geen enkele waarde heeft: “handelingen die zich hebben voorgedaan na het openvallen van de nalatenschap worden in de regel buiten beschouwing gelaten voor de heffing van de erfbelasting”. Uit de praktijk blijkt ook dat talrijke advocaten en notarissen, die wel zeer vertrouwd zijn met de (procedure van) vereffening-verdeling van een nalatenschap, weinig kaas hebben gegeten van de combinatie tussen de dading en de erfbelasting. Hoe zit die combinatie in elkaar?
De regels zijn relatief eenvoudig. De hoofdregel is die van de”fiscale saisine”: de erfbelasting wordt berekend en geheven op grond van de toestand op de dag van het openvallen van de nalatenschap. Rechtshandelingen die door de rechthebbenden na het openvallen van de nalatenschap worden gesteld, worden dus genegeerd. Maar op die hoofdregel bestaat een uitzonderingsregel: met rechtshandelingen die een invloed uitoefenen op de devolutie van de nalatenschap en die retroactieve werking hebben, wordt toch rekening gehouden. Bekende toepassingen van deze uitzonderingsregel zijn de vaststelling van de afstamming post mortem en de verwerping van de nalatenschap. In dat geval wordt de devolutie van de nalatenschap gewijzigd met terugwerkende kracht tot op het ogenblik van het openvallen van de nalatenschap. Dit geeft aanleiding tot het (verplicht) indienen van een bijvoeglijke aangifte nalatenschap, tot een herberekening van de rechten en tot een vermeerdering of vermindering van de erfbelasting.
Een andere toepassing van deze uitzonderingsregel, die men in alle klassieke handboeken terugvindt, is de dading over de devolutie van de nalatenschap. Een geschil over de (bv. testamentaire) devolutie van de nalatenschap kan afgesloten worden met een rechterlijke beslissing of met een dading. Beide werken terug en beïnvloeden de berekening en de heffing van de erfbelasting.
Een voorbeeld: een erflater heeft in een eigenhandig testament zijn huishoudster aangesteld als algemene legataris. Zij twee kinderen menen dat er captatie en suggestie in het spel is en stellen een vordering tot nietigverklaring van het testament in bij de rechtbank. Maar gelet op het feit dat deze nietigheidsgrond zelden door de rechtspraak wordt erkend, gaan partijen akkoord om het geschil bij dading op te lossen, met wederzijdse toegevingen. Het testament wordt daarin als nietig beschouwd, maar de huishoudster bekomt een forfaitair bedrag uit de nalatenschap.
Er is meer. De dading kan vaak aangewend worden als een techniek van fiscale successieplanning post mortem. Laten we het voormelde voorbeeld hernemen. Indien overeengekomen wordt dat de huishoudster een bepaald forfaitair bedrag vrij van erfbelasting bekomt, is het mogelijk dat zij finaal netto slechts een beetje minder overhoudt dan wanneer zij de ganse nalatenschap zou bekomen, maar met een fiscale kost die kan oplopen tot 55%. De twee kinderen houden ook een flink deel van de nalatenschap over. Vlabel aanvaardt deze techniek.
Een ander voorbeeld is dat van een testatrice die een testament heeft gemaakt in het voordeel van een instelling van openbaar nut. De neven en nichten menen echter dat de testatrice wilsonbekwaam was en vechten de geldigheid van het testament aan. Ook dit geschil kan aanleiding geven tot een fiscale successieplanning post mortem. In een dading kunnen de partijen overeenkomen dat de geldigheid van het testament wordt erkend, maar dat de openbare instelling een forfaitair bedrag vrij van erfbelasting zal betalen aan de neven en nichten. Ook in dat geval halen de twee partijen voordeel uit de dading. Hoewel Vlabel de enige verliezer is, werd de dading wel door hem erkend in het verleden. Of dit in de toekomst nog mogelijk is, is niet zeker gelet op de “belastbaarstelling” van het “duo-legaat” waarvan de voormelde dading een analoge toepassing is.
Het besluit is dat een dading na een overlijden steeds moet overwogen worden omdat het voordelig kan zijn voor de beide betrokken partijen, zowel op civielrechtelijk vlak als op fiscaal vlak. De detailregels en de formulering van de dading zijn echter complex en het verdient derhalve aanbeveling de bijstand van een deskundige in te roepen.
Nicolas Geelhand de Merxem
Prof. (em.) dr. Universiteit Antwerpen